Tekst laten schrijven?

Alexanderschool in oorlogstijd

Hoe verging het de Alexanderschool in oorlogstijd? Het was geen gemakkelijke tijd voor de leraren en de leerlingen. Deze herinneringen zijn opgeschreven aan de hand van de verhalen van Willem Groothuis (89, thans gepensioneerd tandarts), die in 1941 op school kwam. In de oorlog dus.

-

R.K. Jongensschool

Kinderen gingen in die tijd eerst naar de kleuterschool en daarna naar de ‘grote school’. De meisjes naar de meisjesschool, de jongens naar de Alexanderschool die in die tijd R.K. Jongensschool heette.

Joodse klasgenoten afgevoerd

In Denekamp woonden voor de oorlog veel joodse gezinnen. Zij waren onderdeel van het dorpse leven. De kinderen gingen naar de dorpsscholen de meisjes- en de jongensschool. Daar volgden zij dus katholiek onderwijs.
Groothuis: “Ik herinner me hoe Denekampse joden werden afgevoerd; geen fijne herinnering. En op school waren de joodse kinderen er ineens niet meer. Het was voor de kinderen op school heel verdrietig, dat ze hun vriendjes moesten missen.”

School gevorderd

De oorlog was een moeilijke tijd voor het jongensonderwijs in Denekamp. Toen de school werd gevorderd, hebben de leerlingen het gebouw nog een tijdje gedeeld met de Duitse Wehrmacht. De leerlingen aan de ene kant van het gebouw, de bezetters aan de andere kant. Legertanks op de speelplaats en de stank van benzine hing om de school.
Na enige tijd nam de Wehrmacht het gebouw helemaal in en was er geen plek meer voor onderwijs.

Krijgsgevangenen

In de school werden Italiaanse krijgsgevangen gestationeerd.
Het was een rare situatie, want waar moesten de kinderen nou onderwijs krijgen? Het was een groot probleem en er werden allerlei locaties als oplossing gezocht.
Groothuis: “Zo heb ik les gehad in het scoutinggebouw aan de Sloetstraat en in de meisjesschool. Zaten we ineens met meisjes op school. Maar we werden apart gehouden hoor; de jongens moesten meteen het lokaal links in.”

Groot lerarentekort

Er waren in de oorlogstijd meerdere meesters en twee juffen werkzaam op de R.K. Jongensschool.

De juffen konden hun werk blijven doen, maar de meesters waren jonge mannen die werden opgeroepen om diensten te verrichten voor het Duitse leger in Nederland. Om dat te voorkomen, doken ze onder.
Daarmee werden de problemen voor het Denekampse jongensonderwijs groter. Er ontstond een groot lerarentekort. Alleen de juffrouwen Mulders en Schellings waren er nog.

Vrouwen, nonnen & paters

Niet alle scholen in de regio leden onder een lerarentekort zoals de R.K. Jongensschool. Vrouwen werden niet opgeroepen om dienst te doen en nonnen al helemaal niet, dus de meisjesschool in Denekamp waar de nonnen van de Zusters Franscanessen lesgaven – helemaal in habijt – ging gewoon door.
Hetzelfde gold voor het Carmellyceum in Oldenzaal. Daar werd lesgegeven door de paters Karmelieten en die werden ook niet opgeroepen.

Maanden geen onderwijs

Op de jongensschool in Denekamp waren echter slechts twee vrouwen werkzaam en daarom resulteerde het in een periode waarin de leerlingen soms maanden geen onderwijs kregen. Als ze al een locatie konden vinden, waren er niet genoeg leraren.

Telkens weer naar huis

In die tijd klonken in Denekamp voortdurend luchtalarmen vanwege de ontelbare vliegtuigen die over het dorp vlogen.

’s Nachts waren het Engelse vliegtuigen die richting het Ruhrgebied gingen, overdag kwamen de Amerikanen over.
Groothuis: “Ik heb ook heel wat luchtgevechten gezien. Als we al op school waren, dan werden we voortdurend naar huis gestuurd als het alarm klonk. ‘Luchtalarm. Allemaal naar huis jongens.’ En dan gingen we weer. Als kind waren we blij als het luchtalarm klonk; lekker naar huis. Veel leuker dan op school zitten.”

Bijna geen basisonderwijs gehad

Het alsmaar thuis zijn bleek uiteindelijk minder leuk dan de jongens van toen dachten.

Door de oorlog, het locatieprobleem en het lerarentekort hebben de oorlogskinderen maar weinig onderwijs gehad.

“Alles bij elkaar opgeteld, heb ik maar 3 jaar basisonderwijs genoten. Mijn oudere broer deed HBS aan het Carmel, mijn zus gymnasium. Zij hadden wel onderwijs. Maar ik, ik was vooral veel thuis geweest. Hoe moest dat nou met mij?
‘Je snapt wel dat de HBS er voor jou niet inzit,’ zei mijn vader tegen mij, waarna hij meester Alink benaderde om mij bij te spijkeren. Vooral mijn rekenvaardigheden waren zwak.

Toen hoorde hij van een kostschool in Azelo. ‘Probeer daar maar eens je Mulo-diploma te halen, dan kun je daar misschien wel mee naar de HBS.’
En dus ging ik naar kostschool in Azelo; mijn twee jongere broers later ook. Op kostschool waren veel kinderen zoals ik; veelal kinderen van ondernemende ouders.

Die kostschool was ontzettend streng. Zó streng dat we maar drie keer per jaar naar huis mochten, terwijl Azelo toch beslist niet ver van Denekamp is. ‘Ja, het is wel streng maar je wilt toch iets bereiken,’ zei mijn vader dan. En dus heb ik daar mijn school afgerond. Met 18 jaar was ik er klaar. Naar kostschool omdat de oorlog mij geen fatsoenlijk basisonderwijs had laten volgen; het is wat.”

R.K. Jongensschool

In de oorlog heette de school nog geen Alexander; die naam kreeg het pas 1963. Tot die tijd heette het de R.K. Jongensschool.

Kinderen uit westen opgevangen in Denekamp

De scholen in Denekamp hadden – als er al onderwijs werd gegeven – regelmatig ‘vreemde’ kinderen in de klas.

Dat kwam doordat in de oorlog de meeste Denekampse gezinnen kinderen uit het westen van Nederland opnamen in hun huizen.
Het ging om katholieke gastgezinnen en het werd geregeld door het bisdom. De kinderen – vaak van een jaar om 10, 11, 12 – gingen naar de lokale school.
Veel van de kinderen hebben na de oorlog contact gehouden met hun gastgezinnen. Met enige regelmaat klonken er verhalen van mensen die hun ‘gastkind’ weer op bezoek hadden gehad.

Italianen gehuisvest in Alexanderschool

De school werd in de oorlog gevorderd door de Duitsers die er Italiaanse krijgsgevangen plaatsten. Maar wie waren die Italianen precies?

In Italië was de situatie dat Mussolini zijn eigen leger had, maar dat er ook een ‘tegen-leger’ was. De Duitsers bezetten Italië en namen de Italianen krijgsgevangen. Deze ‘anti-Mussolini’s’ waren de Italianen die op school gehuisvest werden.

Gevlucht naar buren

Sommige van de Italianen vluchtten en belden bij Denekampse huizen aan. Zo kwam een van hen bij de familie Derkman (van de molen tegenover de school) terecht. De familie heeft hem een aantal jaren verborgen gehouden en hij is nooit ontdekt. De man is de familie Derkman altijd heel dankbaar geweest. En ze wisten daarna precies hoe het met hem ging, want hij werd een bekende Italiaan met een zeer hoge functie.

Rijles in het dorp

De jongens uit het dorp stonden regelmatig bij het hek van de school te kijken naar de Italiaanse krijgsgevangen. “Kijken wat ze deden. We hadden geen idee waarom, maar de Duitsers gaven hun rijlessen. Met oude trucks reden ze door Denekamp om de Italianen te leren rijden. Als vaardigheid die van pas kwam in het leger, neem ik aan.”

Het onfortuinlijke einde van meester Havekes

Een leraar van de R.K. Jongensschool is op zeer onfortuinlijke wijze omgekomen. Op de laatste dag van de oorlog nog wel. Meester Joh. Havekes stierf op 4 april 1945 door een bombardement op museum Natura Docet.

Nederland werd bevrijd en de Tommy’s hadden Denekamp bereikt. Ze sloegen een kamp op rondom het museum. Her en der waren nog Duitse vliegtuigen in de lucht en een ervan gooide een bom op het kampement bij het museum. De bom is niet ontploft, maar sloeg wel in het gebouw, in de muur.

Meester Havekes woonde in de buurt van het museum, fietste toevallig langs, zag de bom vallen, werd op zijn hoofd geraakt door een rondvliegend brokstuk en overleed.

In de muur van het museum is een gedenkplaat bevestigd ter herinnering aan het onfortuinlijke einde van meester Havekes van de jongensschool. Gestorven op de laatste dag van de oorlog.

Waar speelden kinderen in oorlogstijd mee?

De leerlingen waren in de oorlogstijd veel thuis. Waar hielden ze zich mee bezig, wat deden ze als ze thuis waren?
Groothuis: “We deden ontzettend veel. We hielden wedstrijdjes op onze fietsjes en we speelden spelletjes, vaak zelfgemaakt. We maakten hoepels, pijl en boog en katapulten. De meisjes deden aan ballen, met vier of vijf ballen tegelijk. Touwtje springen deden we allemaal, net zoals tolletjes een zwieper geven. En verder moesten we thuis meehelpen.”